Scenic view of traditional Dutch windmills near water under a blue sky with clouds.

目前使用Duolingo 緩慢學習中,會記錄學習到的生字、語法和一些fun fact。

單數發音眾數發音性別 (de/het)In English中文翻譯來源附註
meisje[ˈmɛi̯.sjə]meisjes中性(het)
girl女孩Duolingo - S1 U1
kind[kɪnt]kinderen中性(het)
child小孩Duolingo - S1 U1
jongen[ˈjɔ.ŋə(n)]jongens
陽性(de)boy男孩Duolingo - S1 U1
vrouw[vrʌu̯]vrouwen陰性(de)woman女人Duolingo - S1 U1
man
[mɑn]mannen陽性(de)man男人
Duolingo - S1 U1
melk[mɛlk]-陰性(de)milk牛奶Duolingo - S1 U1
appel[ˈɑ.pəl]
appels陽性(de)apple蘋果Duolingo - S1 U1
brood[broːt]broden中性(het)
bread麵包Duolingo - S1 U2
water[ˈʋaː.tər]-中性(het)
waterDuolingo - S1 U2
rijst[rɛist]-陰性(de)riceDuolingo - S1 U2
krant[krɑnt]kranten陰性(de)newspaper報紙Duolingo - S1 U2
boek[buk]boeken中性(het)
bookDuolingo - S1 U2
menu[məˈny]
menu’s中性(het)
menu菜單Duolingo - S1 U2
Nederlands[ˈneː.dər.lɑnts]-中性(het)
Dutch荷蘭文Duolingo - S1 U3
sap[sap]sappen陽性(de)juice果汁Duolingo - S1 U4
koffie[ˈkɔ.fi]-陰性(de)coffee咖啡Duolingo - S1 U5
ontbijt[ɔntˈbɛi̯t]ontbijten中性(het)
breakfast早餐Duolingo - S1 U5
soep[sup]-陰性(de)soupDuolingo - S1 U5
groente[ˈɣrun.tə]groenten陰性(de)vegetables蔬菜Duolingo - S1 U5
honger[ˈɦɔŋ.ər]-陽性(de)hungry飢餓Duolingo - S1 U5
hond[ɦɔnt]honden陽性(de)dogDuolingo - S1 U6
katcatDuolingo - S1 U6
muis[mœy̯s]muizen陰性(de)mouse老鼠Duolingo - S1 U6
konjin[koːˈnɛi̯n]konijnen中性(het)
rabbit兔子Duolingo - S1 U6
varken[ˈvɑr.kə(n)]varkens中性(het)
pigDuolingo - S1 U6
staart[staːrt]staarten陰性(de)tail尾巴Duolingo - S1 U6
sok[sɔk]sokken陰性(de)socksDuolingo - S2 U1
schoen[sxun]schoenen陰性(de)shoesDuolingo - S2 U1
klomp[klɔmp]klompen陽性(de)wooden clogs木鞋Duolingo - S2 U1
bril[brɪl]brillen陰性(de)glasses眼鏡Duolingo - S2 U1
hemd[ɦɛmt]hemden中性(het)
shirt襯衫Duolingo - S2 U1
hoed[ɦut]hoeden陽性(de)hatDuolingo - S2 U1
pak[pɑk]
pakken中性(het)
suit套裝Duolingo - S2 U1
broek[bruk]broeken陰性(de)pants褲子Duolingo - S2 U2
pasta[ˈpɑs.ta]-陰性(de)pasta義大利麵
Duolingo - S2 U2
aardbei[ˈaːrt.bɛi̯]aardbeien陰性(de)strawberry草莓
banaan[baˈnaːn]bananen陰性(de)banana香蕉
beer[beːr]beren陽性(de)bear
bord[bɔrt]borden中性(het)
plate盤子
boterham[ˈboː.tər.ɦɑm]boterhammen陰性(de)sandwich三文治
dag[dɑx]dagen陰性(de)day日/天
dier[dir]dieren中性(het)
animal動物
eend[eːnt]eenden陰性(de)duck鴨子
ei[ɛi̯]eieren中性(het)
egg雞蛋
fruit[frœy̯t]-中性(het)
fruit水果
glas[ɣlɑs]glazen中性(het)
glass (cup)杯子
gans[ɣlɑs]ganzen陰性(de)goose
hoorn[ɦoːrn]
hoorns陰性(de)horn
jas[jɑs]jassen陰性(de)coat外套
kaas[kaːs]-陰性(de)cheese起司
kip[kɪp]kippen陰性(de)chicken
koe[ku]koeien陰性(de)cow
krab[krɑb]krabben陰性(de)crab螃蟹
neushoorn[ˈnøːs.ɦoːrn]neushoorns陰性(de)rhinoceros犀牛
olifant[ˈoː.li.fɑnt]olifanten陰性(de)elephant大象
paard[paːrt]paarden中性(het)
horse
peper[ˈpeː.pər]-陽性(de)pepper胡椒
schaap[sxaːp]schapen中性(het)
sheep綿羊
schildpad[ˈsxɪlt.pɑt]schildpadden陰性(de)turtle烏龜
spin[spɪn]spinnen陰性(de)spider蜘蛛
suiker[ˈœy̯.kər]-陰性(de)sugar
thee[teː]-陰性(de)tea
tomaat[toːˈmaːt]tomaten陰性(de)tomato番茄
vlees[vleːs]-中性(het)
meat
vogel[ˈvoː.ɣəl]vogels陽性(de)bird
wijn[ʋɛi̯n]-陰性(de)wine紅酒
zout[zʌut]-中性(het)
salt
naam[naːm]namen陰性(de)name名字
原形 (infinitive)發音現在式過去式過去分詞助動詞 (hebben/zijn)英文翻譯中文翻譯來源
zijn[zɛi̯n], [bɛnt]bentwas/ warengeweestzijnto beDuolingo - S1 U1
drinken[ˈdrɪŋ.kə(n)]drinktdronkgedronkenhebbento drinkDuolingo - S1 U1
eten[ˈeː.tə(n)]eetatgegetenhebbento eatDuolingo - S1 U1
lezen[ˈleː.zə(n)]lezenlasgelezenhebbento readDuolingo - S1 U9
hebben[ˈɦɛ.bə(n)]hebbenhadgehadhebbento haveDuolingo - S1 U7
spreken[ˈspreː.kə(n)]spreektsprakgesprokenhebbento speak講話Duolingo - S1 U4
dragen[draːx]draagdroeggedragenhebbento wear穿戴Duolingo - S2 U1
koken[ˈkoː.kə(n)]
kokenkooktegekookthebbento cook烹飪Duolingo - S2 U2
schrijven[ˈsxrɛi̯.və(n)]schrijfschreefgeschrevenhebbento writeDuolingo - S2 U2
spelen
[ˈspeː.lə(n)]speeltspeeldegespeeldhebbento play玩耍Duolingo - S2 U2
willen[ʋɪl]wilwildegewild
hebbento want想要Duolingo - S2 U2
zien[zi]ziezaggezienhebbento see看見Duolingo - S2 U4
horen[ɦoːrt]hoorthoordegehoordhebbento hear聽見Duolingo - S2 U4
gaan[ɣaːn]gaatginggegaanzijnto go
geven[ˈɣeː.və(n)]geeftgafgegevenhebbento give
maken[ˈmaː.kə(n)]maaktmaaktegemaakthebbento make製作
kennen[ˈkɛn.ə(n)]kentkendegekendhebbento know (人)認識
horen[ˈɦoː.rə(n)]hoorthoordegehoordhebbento hear聽見
zien[zin]zietzaggezienhebbento see看見
willen[ˈʋɪ.lə(n)]wil / wiltwildegewildhebbento want想要
spelen[ˈspeː.lə(n)]speeltspeeldegespeeldhebbento play玩耍
slapen[ˈslaː.pə(n)]slaaptsliepgeslapenhebbento sleep睡覺
komen[ˈkoː.mə(n)]komtkwamgekomenzijnto come
koken[ˈkoː.kə(n)]kookkooktegekookthebbento cook
lopen[ˈloː.pə(n)]loop / looptliepgelopenhebbento walk
schrijven[ˈsxrɛi̯.və(n)]schrijfschreefgeschrevenhebbento write
dragen[ˈdraː.ɣə(n)]draag / draagtdroeggedragenhebbento carry / wear提 / 穿戴
zwemmen[ˈzʋɛm.ə(n)]zwem / zwemtzwomgezwommenhebbento swim游泳
spreek[spreːk]spreektsprakgesprokenhebbento speak
原形發音比較級發音最高級發音英文中文學習日期來源
lekker[ˈlɛ.kər]lekkerderlekkersttasty/delicious好吃Duolingo - S1 U5
lang[lɑŋ]langerlangstlongDuolingo - S2 U3
groot[ɣroːt]grotergrootstbigDuolingo - S2 U3
kort /korte[kɔrt]korterkortstshortDuolingo - S2 U3
moeilijk[ˈmui̯.lək]moeilijkermoeilijkstdifficult困難Duolingo - S2 U3
interessant[ˌɪn.tə.rɛˈsɑnt]interessanterinteressantstinteresting有趣Duolingo - S2 U3
belangrijk[bəˈlɑi̯ŋ.rɛx]belangrijkerbelangrijkstimportant重要的
duur[dyːr]duurderduurstexpensive昂貴的
goedkoop[ɣoːt.koːp]goedkopergoedkoopstcheap便宜的
groot[ɣroːt]grotergrootstbig大的
interessant[ˌɪn.tə.rɛˈsɑnt]interessanterinteressantstinteresting有趣的
jong[jɔŋ]jongerjongstyoung年輕的
klein / kleine[klɛi̯n] / [ˈklɛi̯.nə]kleinerkleinstsmall小的
koud[kɑu̯t]kouderkoudstcold冷的
lang[lɑŋ]langerlangstlong長的
langzaam /langzame[ˈlɑŋ.zaːm][ˈlɑŋ.zaː.mə]langzamerlangzaamstslow慢的
leeg[leːx]legerleegstempty空的
leuk[løːk]leukerleukstfun / nice有趣的
licht[lɪxt]lichterlichtstlight輕的
makkelijk[ˈmɑ.kə.lək]makkelijkermakkelijksteasy簡單的
nieuw[niːʋ]nieuwernieuwstnew新的
oud[ʌut]ouderoudstold舊的/老的
rustig[ˈrʏs.təx]rustigerrustigstcalm平靜的
schoon[sxon]schonerschoonstclean乾淨的
slecht[slɛxt]slechterslechtstbad壞的
snel / snelle[snɛl] / [ˈsnɛ.lə]snellersnelstfast快的
sterk[stɛrk]sterkersterkststrong強壯的
vers[vɛrs]verserverstfresh新鮮的
vol[vɔl]vollervolstfull滿的
warm[ʋɑrm]warmerwarmstwarm溫暖的
zwaar[zʋaːr]zwaarderzwaarstheavy重的
zwak[zʋɑk]zwakkerzwakstweak弱的
enig[ˈeː.nəx]enigeonly / some / few唯一的/一些
enkel[ˈɛŋ.kəl]enkeleonly / a few一些/單一
elk[ɛlk]elkeeach / every每一個
ieder[ˈiː.dər]iedereeach / everyone每一個
sommige[ˈsɔ.mə.xə]some / certain某些
verschillende[vɛrˈsxɪl.ləndə]different / various不同的
alle[ˈɑ.lə]all所有
allerlei[ˈɑ.lər.lɛi̯]all kinds of 各種的
荷文發音英文中文來源
beetje[ˈbeː.tjə]a bit / a little一點點Duolingo - S1 U3
niet[nit]notDuolingo - S1 U4
ook[oːk]alsoDuolingo - S1 U9
goed[ɣut]well / good
wel[ʋɛl]indeed / still的確/還是
snel[snɛl]quickly快速地
langzaam[ˈlɑŋ.zaːm]slowly慢慢地
geen[ɣeːn]no / none沒有
荷文發音單數/複數類型(主格/賓格/所有格/反身)英文對應中文學習日期來源
ik[ɪk]單數主格
IDuolingo - S1 U1
hij[ɦɛi̯]單數主格
heDuolingo - S1 U1
je[jə]
單數主格
you (uniformal)Duolingo - S1 U1
we[ʋə]複數主格
we我們Duolingo - S1 U2
ze[zə]單/複數主格
she / they她 / 他們Duolingo - S1 U2
dat[dɑt]單數指示代詞that那個Duolingo - S1 U2
haar[ɦaːr]
單數
所有格/賓格her她(賓格)
Duolingo - S2 U4
hem[ɦɛm]單數
第三人稱賓格him他(賓格)
hen[ɦɛn]複數第三人稱賓格them他們(賓格)
hun[ɦʏn]複數第三人稱所有格their他們的
jou[jɑu̯]單數
第二人稱賓格you你(賓格)
jouw[jɑu̯]單數
第二人稱所有格your你的
me[mə]單數
第一人稱賓格me我(弱賓格)
mij[mɛi̯]單數
第一人稱賓格me我(強調)
mijn[mɛi̯n]單數
第一人稱所有格my我的
ons[ɔns]複數第一人稱賓/所有格us / our我們 / 我們的
onze[ˈɔn.zə]單數
第一人稱所有格our我們的(配合de名詞)
alles[ˈɑ.ləs]單數
everything一切
iets[its]
單數
something某物
iemand[ˈiː.mɑnt]單數
someone某人
iedereen[ˈiː.dər.reːn]複數everyone每個人
men[mɛn]單數
one/ people (general)一般人
形式發音使用情況(定/不定)對應英文中文說明學習日期
de[də]定,陽性詞和陰性詞的單數名詞、複數名詞the那 / 這(通性)Duolingo - S1 U1
het[ɦɛt]
定,單數中性名詞、名詞為diminutivetheDuolingo - S1 U2
een[ən] or [eːn]
不定,不論de或是het,單數名詞皆可使用eena, anDuolingo - S1 U1
荷文發音中文英文來源
van[vɑn]的/來自of / from
zoals[zoːˈlɑs]如同/就像like / as
荷文發音類型(等位/從屬)中文英文學習來源
En[ɛn]
等位連詞AndDuolingo - S1 U2
dus[dʏs]等位連詞所以so, thus
want[ʋɑnt]等位連詞因為because
荷文發音類型(基數/序數)英文中文來源
twee[tʋeː]基數two
Duolingo - S1 U8
paar[paːr]數量詞a few / some一些
veel[veːl]數量詞many / a lot很多
weinig[ˈʋɛi̯.nəx]數量詞few / little少量
genoeg[ɣəˈnux]
數量副詞
enough足夠
荷文發音中文意義中文意義使用情境英文近似語氣學習日期

文法規則

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

口語表達與日常用語

 

Section 1, Unit 3

Hoi, hoe gaat het? -> Hi, how is it going?

Goed, dank je. -> Fine, thank you.

Tot ziens! -> Goodbye!

Doei! -> Bye!

Goodenavond! -> Good evening!

Section 1 Unit 9

maar ik wel -> but I do.
maar ik niet. -> but i don not

 

例句庫

Section 1, Unit 1

Ik ben een vrouw. -> I am a woman

De man drinkt melk. -> The man drinks milk

Hij eet een appel. -> He eats an apple.

Je bent een kind. -> You are a child.

 

Section 1, Unit 2

We drinken water en we eten rijst. -> We drink water and we eat rice.

De vrouwen lezen de krant. -> The women read the newspaper.

Dat is een man. -> That is a man.

Ze hebben het boek. -> Ze hebben het boek.

De kinderen lezen het menu. -> The children read the menu.

 

Section  1, Unit 3

Ik spreek een beetje Nenderlands. -> I speak a bit of Dutch.

 

Section  1, Unit 4

Nee, hij drinkt geen sap. -> No, he does not drink juice.

Hij drinkt de melk niet. -> He does not drink the milk.

We zijn geen jongens. -> We are not boys.

Ik ben geen kind. -> I am not a child.

Nee, het meisje spreekt niet. -> No, the girl does not speak. 


Section  1, Unit 5

Dat is koffie. -> That is coffee.

De jongens eten ontbijt. -> The boys are eating breakfast.

Ze eet geen groente. -> She does not eat vegetables.

De soep is lekker! -> The soup is tasty!

Ik heb honger. -> I am hungry.


Section  1, Unit 6
De hond drinkt water. -> The dog drinks water.

Het is een muis. -> It is a mouse.

Dat is geen  konjin! -> That is not a rabbit.

Het varken eet een appel. -> The pig eats an apple.

De hond heeft een staart. -> The dog has a tail.


Section  1, Unit 7

Lezen ze het boek? -> Do they read the book?

Eten de kinderen rijst? -> Are the children eating rice?

Drinkt het meisje water of sap? -> Does the girl drink water or juice?

Spreken ze Nederlands? -> Do they speak Dutch?

Heb je de krant? -> Do you have the newspaper?


Section  1, Unit 8
We lezen twee boeken. -> We are reading two books.

Hebben jullie honden? -> Do you have dogs?
We hebben twee honden. -> We have two dogs.

Ze heeft twee vissen. -> She has two fish.

Het zijn geen schapen. -> They are not sheep.

De meisjes lezen de menu’s. -> The girls read the menus.


Section  1, Unit 9
Ik lees en zij leest ook. -> I am reading and she is reading too.

Zij hebben een menu en ik ook. -> They have a menu and I do too.

Ik eet soep en jij eet rijst. -> I am eating soup and you are eating rice.

Zij heeft geen hond, maar ik wel. -> She does not have a dog, but I do.

Jij spreekt Nederlands, maar ik niet. -> You speak Dutch, but I do not.


Section 2, Unit 1
Ik draag sokken, maar geen schoenen. -> I am wearing socks, but no shoes.

Het kind draagt geen klompen.- > The child is not wearing clogs.

Ik draag geen bril, maar zij wel. -> I do not wear glasses, but she does.

Ik draag een hemd, broek en schoenen. -> I wear a shirt, pants and shoes.

Hij heeft een hoed en een pak. -> He has a hat and a suit.


Section 2 , Unit 2

Ik schrif een boek. -> I write a book.

Koken de meisjes? -> Do the girl cook?

Ja, ze koken pasta. -> Yes, they are cooking pasta.

De jongens speelt. -> The boy is playing.

Hij wil de krant. -> He wants the newspaper.


Section 2 , Unit 3

Hij draagt een lange jas. -> He wears a long coat.

Ze wil enen grote boterham. -> She wants a big sandwich.

De rok is kort. -> The skirt is short.

Nederlands is niet moeilijk. -> Dutch is not difficult.

De man leest het interessante boek. -> The man reads the interesting book.


Section 2, Unit 4

Jij kent haar. -> You know her?

Zie je me? -> Do you see me?

Nee, wij zien jou niet. -> No, we do not see you.

De jongen hoort jullie niet. -> The boy does not hear you.

Ik geef hun een appel. -> I give them an apple.


Section 2, Unit 5
Is je naam Saskia?  -> Is your name Saskia?

Nee, mijn naam is Roos. -> No. my name is Roos.

Het is de schone van mijn man. -> It is my husband’s shoe.

Het boek is van jou. -> The book is yours.

Onze broden zijn vol. -> Our plates are full.


Section 2, Unit 6

Ik lees een boek, maar het is niet interssant. -> I am reading a book, but it is not interesting.

Het fruit is lekker, want het is vers. -> The fruit is tasty, because it is fresh.

Hij slaapt of hij leest een boek. -> He is sleeping or he is reading a book.

Het is koud, dus ik draag een trui. -> It is cold, so  I wear a sweater.

Ik loop en hij zwemt. -> I walk and he swims.


Section 2, Unit 7

Is het genoeg? -> Is it enough?

Dat is genoeg, bedankt. -> That is enough, thank you.

Alle muizen zijn klein. -> All mice are small.

Sommige kranten zijn belangrijk. -> Some newspapers are important.

De vrouwen drinken wat sap. -> The women drink some juice.